KenniscentrumZwangerschapAandoeningen › Molazwangerschap › Molazwangerschap

Molazwangerschap

Een molazwangerschap is een niet goed aangelegde zwangerschap. Een molazwangerschap ontstaat doordat de 'trofoblast' zich abnormaal ontwikkelt. De trofoblast is het weefsel dat normaal gesproken de placenta vormt. Meestal komt er bij een molazwangerschap geen embryo tot ontwikkeling. Soms is er wel een embryo, maar dat is dan niet levensvatbaar.
In Nederland ontwikkelt één van de 1000 zwangerschappen zich als een mola. Alle molazwangerschappen in Nederland worden voor wetenschappelijk onderzoek geregistreerd bij de centrale molaregistratiein Nijmegen.
De oorzaak van een molazwangerschap is niet bekend.

Echo van een molazwangerschap. De vochtblaasjes zijn op de echo te zien.Klachten

Een molazwangerschap kan vroeg in de zwangerschap bloedverlies geven, maar meestal zijn er geen klachten. Vaak wordt bij de termijnecho vermoed dat het om een molazwangerschap gaat, omdat mola een typisch echobeeld geeft en er meestal geen embryo te zien is.

Onderzoek

Een molazwangerschap wordt vermoed als er met een echoscopie het typische beeld van de trofoblast wordt gezien. Bij een molazwangerschap ontstaan er veel vochtblaasjes in de baarmoederholte, die op een echo goed te zien zijn. Ook is de hoeveelheid van het zwangerschapshormoon hCG in het bloed bij een molazwangerschap veel hoger dan normaal. Dit komt doordat de trofoblast het hCG maakt en er bij een molazwangerschap veel trofoblast is.
De definitieve diagnose wordt gesteld door middel van weefselonderzoek in het laboratorium, nadat een curettage is gedaan.
Een enkele keer breidt een mola zich uit naar de longen. Daarom wordt bij vermoeden van een mola wordt ook een röntgenfoto van de longen gemaakt.

Behandeling

De molazwangerschap wordt met een curettage verwijderd. Dit is een ingreep die onder narcose plaatsvindt. De baarmoeder wordt met een dunne buis leeggezogen. Dit gebeurt onder echoscopische controle om zo goed mogelijk al het molaweefsel te verwijderen. Deze ingreep kan met veel bloedverlies gepaard gaan.
Na de ingreep wordt wekelijks de hoeveelheid hCG in het bloed gemeten om te controleren of het hCG volgens een normaal patroon uit het bloed verdwijnt. Als het hCG verdwenen is, wordt gedurende een half jaar iedere maand bloedonderzoek gedaan om te controleren of het niet terugkomt. In deze periode is een nieuwe zwangerschap niet wenselijk en wordt het gebruik van de pil geadviseerd. Na een half jaar kan een nieuwe zwangerschap geen kwaad voor de gezondheid.
De kans op een nieuwe molazwangerschap is 1%. Een vroege echo in de volgende zwangerschap is daarom belangrijk. Ook wordt zes weken na het eind van iedere volgende zwangerschap, ongeacht hoe deze verloopt, met bloedonderzoek gecontroleerd of het hCG uit het bloed verdwenen is.
Als het hCG niet volgens een normaal patroon uit het bloed verdwijnt, betekent dit dat er opnieuw trofoblast groeit. Dit heet persisterende trofoblast en treedt op na 15% van de molazwangerschappen. Persisterende trofoblast kan worden gezien als een voorstadium van een zeldzame kwaadaardige ziekte, het choriocarcinoom (kanker van de placenta). Het is daarom belangrijk dat persisterende trofoblast behandeld wordt. Dit gebeurt met een lichte vorm van chemotherapie, die nauwelijks bijwerkingen geeft.


Deel deze pagina: